HERMAN HEIJERMANS
... neemt nu een adempauze

Home | De uitgave | Opzet van het project | Toneelwerken | Achtergronden | Secundair | Interactief

Navigatie

Heijermans' toneelteksten online:
Achtergronden

Zoek op de site

De website
Teksten online
Achtergronden
Welkom
Kolder in de Jonge Jan
Scheveningse vissers
Coenens Visboeck
Socialistische tendenz
Een mijnbezoek
Antimilitarisme
Coenens Visboeck
Secundair
© 2015 M.G. Vonder,
contact

 

Een mijnbezoek
door Samuel Falkland

uit: Schetsen deel 15
(druk Abcoude: Uniepers, 1989)

 

In de letteren-hurrie van vandaag, in die jacht van klepperlieden, bang voor de dood tijdens het leven, in die verdachte overvloed van kunst- en letterrubrieken, boeken, tijdschriften, barstensvolle litterairige kranten en wat een in opperste aangelegenheden belangstellende Voorzienigheid verder aan smeuIgs voor dierbare lezers en lezeressen, tot meerdere glorie van 't menselijk intellect, schiep - in die schone verwarring van stemmen, die 't beslist weten, kunstenaars die mekander dooie vliegjes afvangen, Blauwbaarden met zeventig scalpen op 't oorlogspad, beulen met vlijmscherpe zwaarden, kefhondjes met kaduuke tanden, brullende Afrikaander leeuwen, tam-wurmzieke eenvoudelingen en met zevenmijlslaarzen de Eeuwigheeid instappenden - kortom in en op 't Slagveld van Hollands onsterfelijke letteren-gewoel, waarbij de Natie, de werkelijke, tierige nationale Natie met smakkende happen, onbewogen en onafgeleid, 'n boterham met zoetemelkse slikt en zich de voeten op 'n test verkneutert - wat gaat de Natie de Letteren aan? - op dat Slagveld steken soms fel en schril-van-vermaning klaroenen van Wijzen, bezadigde Denkers, mannen die eeuwen uit de mouwen schudden - en die zeggen, tenminste à peu près, zo ongeveer en bij benadering: "...Aanvallige collega's in den lande: laat af van de verderfelijke spijze der werkelijkheid - de werkelijkheid is 'n boos ding - de werkelijkheid met haar tweelingspan naturalisme en realisme, is lacij bezig onze litteratuur in de put te boren... Laat af, collega's!..."

Welnu ten dage dat ik 't gestoot dier klaroenen vernam, en ook van mijn kant de neiging speurde, me ergens aan zee, bij 'n limpiede vijver, in de groene grotten der bossen, of op de mensenschuwe hei terug te trekken, me in de beslotenheid der eigen, voorname gedachten te vergenoegzamen, in 't weeldrig-mals gedoel van droom en werkelijkheid kopje onder te duikelen, en de als 'n glimmende broek zo afgedragen, afgelebberde, versleten werkelijkheid naar de mesthoop achter 't huis te verwijzen - te dier dagen, me de vingers bekluivend bij 't op stapel zetten van 'n in de mijnstreken spelende tragediie, en noch aan de zee, noch bij de vijver, noch in de bossen, noch op de hei de gegevens vindend, de sfeer, de bijkomstigheden, 't hoe 't daar onder de grond wel wezen kon enz., enz. - bij de testamentarische God: zelfs de rijkste en gloeiendste verbeelding breekt zich bij houvasteloos peinzen de nek! - besloot 'k 'n week naar benee, heel diep naar benee te gaan, om m'n hortende fantasie, 'n zetje te geven, en om, al dichtende, in m'n honnige kamer dichtende (dat dichten is 'n germanisme) geen technische en andere stommiteiten te wrochten. Wel zeide 'n stem in m'n binnenste: "'r zijn zoveel andere onderwerpen, zoveel poëtischer sujetten - 'r is eindloze voorraad idealistische zon, groen, maangeglij, ster-gewemel, ideeën-schoonheid: wat te-deksel heb je nu juist weer onder de grond, in die smerige mijnen, bij die vlerken van kerels nodig! Wat te-deksel ga je nu tòch weer in werkelijkheid scharrelen, in vergankelijke werkelijkheid, in onesthetische werkelijkheid, in werkelijkheid met 't lamme handje realisme en de horrelvoet naturalisme...?" Voornoemde stem sprak aanzienlijk meer. Doch ook 'n hardnekkigheid van jaren sprak. Dit volk is hardnekkig. En 'k daalde. En van die daling, de beginselloze, de al-daagse, de met eeuwigheidskunst niets gemeen hebbende, kome hier nu, tegen 't bazuingetoeter van Jericho in, 'n aemborstig fragment...

 

"As je me geen loer draait", zei de jonge mijnwerker, me toch 'n tikje wantrouwend besnuffelend, omdat 'k 't glas stinkende foezel - hij had 'r al twee binnen - nauwelijks an had geraakt, en mezelf, na de lange en ongewone wandeling eer we de herberg bereikten, op 'n portie gebakken eieren trakteerde: "as je me geen loer draait en je bek houdt, smokkel 'k je met de nachtploeg na benejen..."

Uren en uren hadden we langs de triestige landwegen gelopen - ellendige, morsige, vale wegen met zwaar-doorwroete wagensporen, roetwalmen, slijkbulten en gaten. Je maag had gevloekt en gemopperd - en nu je voor eten zat, eindelijk voor 'n lekkere hap, wrevelden de brokken in je keel bij 't zien van de drukke, jammerlijke klandizie in de bij de mijnwerkerskolonie behorende herberg. De lift, die de middagploeg naar moeder Aarde terugbracht, vulde geleidelijk, maar stadig de grote gelagkamer, waar de zich lekker thuis voelende waard, prat op 't bezoek en de gang die 'r in de negotie zat, door 'n 't schraapsel op z'n wijsvinger smerende peuter van 'n barbiersjongen, behaaglijk geschoren werd. Bij 't buffet, geen woord verbabbelend, geen glosje zeggend, verdrongen zich de mijnwerkers, ruwe, wrokkige kerels, kerels met fris gewassen gezichten en handen, maar met door kolenstuifsel omschminkte ogen. Ze snoerden de lege drinkkannen van de schoeren, weachtten hun beurt bij de glazen foezel-pomp, die met lichtlijk gesuis en barsting van luchtbellen, de gelige Schnaps uit het vat zoog. De deur veerde open, de deur ploempte dicht, en van uit de schemer buiten, de benauwend-angstige schemer van lood-grauwe wolken bij aarzlende dag, sleepvoetten ze aan, de zwijgende werkers van benee, die hier vrolijkheid kwamen kopen. 't Hield niet op. 'r Was geen eind aan. Als 'n montere waterleidingstraal klukte, klikkerde de foezel in de zinken kannen - en 't wijf en de dochter van de waard, groen-geel bij 't wieglende licht der petrolielamp, niet lachend en niet pratend, met de volste ernst aan 't spoelen en vullen, aan 't bekrassen der lei, keken enkel en dan nog maar vluchtig op, om te zien, wie 'n nieuwe drinkkan over 't trechterblad reikte. 'r Waren 'r, die de gevulen 'Pulle' weer om den schouder wierpen - 'r waren 'r, die voor ze verder op pad gingen, de lippen om de hals der kruik smakten en met gurglende strot bleven drinken. Dat gedrang, dat horten en stoten der lichamen bij de jeneverpomp, dat geschuifel van voeten, dat norse gezwijg bij de zwakjes bunglende petrolielamp en de dartlende luchtbellen in de glazen buik bij 't buffetduurde tot de hele ploeg van twee-, drieduizend man aan 'dag' was gebracht. Lang voor die tijd liep de waard met z'n vet-zwijnig corpus en mals-geschoren wangen, vergenoegd 'n sigaar belurkend, door 't lokaal rond.
"As je me geen loer draait"..., herhaalde Willem me met z'n heldere, staalgrijze ogen nog eens de gelofte van stilzwijgendheid afnemend.

 

Toen we buiten kwamen,


HH site
Web

150 JAAR
Herman Heijermans

Jubileumactie

Nieuwsbrief ontvangen

Doneren aan het project

 
colofon
Deze website is gestart op 3 december 2014, de 150ste geboorte­dag van Herman Heijermans Jr. en officieel gelanceerd op 24 september 2015.
De pagina's zijn handmatig gezet in Verdana 14 px. Alle wijzigingen voorbehouden. Deze website gebruikt geen cookies.
copyright en disclaimer
Voor de op deze website gepubliceerde teksten van Herman Heijermans geldt de licentie CC-BY-SA 4.0 (Naamsvermelding-Gelijk Delen). Alle andere materiaal, inclusief ontwerp, opzet en achtergronden, valt onder normaal auteursrecht. Mocht een rechthebbende aan onze aandacht zijn ontsnapt, dan verzoeken we deze zich te wenden tot de redactie. Voor eventuele schade, ontstaan door fouten in de inhoud, aanvaarden wij geen aansprakelijkheid.
contact
email: M.G. Vonder
post: W. Passtoorsstraat 12-1
1073 HX Amsterdam