HERMAN HEIJERMANS
toneelschrijver in zijn en onze tijd

Tekstversie
 
   
KWELLING van Herman Heijermans

Tekstversie
Naar het menu | Terug naar de hoofdpagina

Een voorstelling van Toneelgroep Baal uit 1985, gespeeld door Hans Dagelet als "Hij", de blinde en Pierre Bokma als "Zij", de ziende en op de vleugel Marjes Benoist, in een regie van Mark Timmer. De televisieregie is van Rob Klaasman voor de VPRO. Muziek: Maurice Horsthuis, decor: Jeroen Henneman. Gepubliceerd op Youtube op 9 juni 2013. De opname duurt 55 minuten. Let op: in de eerste scène wordt de titelrol afgespeeld met stil spel gedurende ongeveer tien minuten.

 


Hier klikken om af te spelen

 

Hieronder volgt de volledige tekst.

 

KWELLING. Een dialoog
(1906)

 

Personen

HIJ
ZIJ

Het toneel verbeeldt een in zonlicht glanzende serre. Langs de achtergrond fleurig bloeiende palmen en heesters

 

Zij voor een damesschrijfbureau, laat de penhouder vallen, kijkt voor zich heen, draait zich langzaam naar hem toe

HIJ, in een rieten tuinstoel, ontvouwt de handen, luistert: Waarom hou je op? Je schrijft niet meer...

ZIJ: Zit je niet te veel in de zon?

HIJ: Nee.

ZIJ: Zal 'k je stoel toch maar niet liever 'n beetje verplaatsen?

HIJ: Nee. Nee. 'k Vind die warmte heerlijk. - Laat me maar stil zo. - En schrijf... Zij herneemt de penhouder, blijft voor zich uit staren.

HIJ: Waarom doe je 't niet?

ZIJ: Omdat...

HIJ: Omdat?...

ZIJ, zich bedwingend: 'k Ben al bezig. Schrijft even in stilte, werpt gejaagd de pen neer. Ik kan niet. Ik stik. Stoot een deur in de glaswand open, blijft er hijgend voor staan. Hij beweegt niet. Met moeite 'r snikken bedwingend, gaat ze op hem toe, schuift een taboeret bij, grijpt z'n hand, die hij zonder verweer in de hare laat. Laten we nu eens uitspreken - helemaal uitspreken...

HIJ: Waarover? Wat bedoel je.

ZIJ, zijn hand loslatend: Over... 'k Dacht... Terwijl 'k m'n brief schreef, kreeg 'k zo'n wanhopig gevoel, was 't of jij in gedachten zat, in gedachten, die...

HIJ: Geloof je, dat 't 'r íéts toe doet, of m'n gedachten al of niet opgewekt zijn? 'k Wil ook wel lachen, als 'k je 'r mee plezier. 't Moet prachtig weer zijn. 'k Heb de vogels in geen tijd zo tekeer horen gaan.

ZIJ: Wil je wat wandelen?

HIJ: Om door iedereen nagekeken te worden? Nee.

ZIJ: Wij kunnen toch in de tuin?

HIJ: Dan zien de buren me. Nee. Lachend. 'k Heb vandaag geen lust beklaagd te worden. Neem niet zoveel notitie van me. Da's niet de goeie manier. Hoe minder je... Zij barst in snikken uit. ...Nou. Waar dient dat voor? Als je met huilen blinde ogen ziende kon maken, had 'k làng weer 't gebruik van die dingen gekregen.

ZIJ: Als je uitsprak...

HIJ: Uitsprak? Wat kom je telkens op 't zelfde neer! Ik - ik heb, meen 'k, voorgoed uitgepraat - met àlles.

ZIJ, dof: Alleen niet met mij.

HIJ een weinig onrustig: Met jou níét? Als je denkt, dat ik... dat ik... Praat jij dan. Niewaar?

ZIJ: Zul je niet boos zijn? Hij schudt lachend 't hoofd. Beloof je dat vast? Hij knikt. Zo eerlijk als je maar iets beloven kan?

HIJ, glimlachend twee vingers opstekend: Wil je dat 'k 'r bij zweer, bitter, bij de Almachtige?

ZIJ, z'n hand omlaag trekkend, die vurig kussend: Nee. Dat hoeft niet. Als je maar belooft, innig belooft, dat je geen rancune zal houen. Niet om alles in de wereld, zou 'k je met 'n kleinigheid willen hinderen - dat begrijp je - dat voel je. Zolang 'r niet over gesproken is, blijft 'r iets tussen ons... Een stilte.

HIJ: Nou dan.

ZIJ, aarzelend: Goed... Als je, wanneer ik je op de een of andere manier pijn doe - misschien làch je 'r om - me waarschuwt, dat 'k mijn mond moet houen... Ja? Hij knikt. Zie je, toen je ogen nog zo gezond waren als de mijne, keek je wel eens naar andere vrouwen - God gaf dat je 't vandaag nòg kon! - en als ik dan knorde, zoals iedere vrouw, niewaar, daarvoor zijn we vrouwen! - dan zoende je me in m'n humeur...

HIJ: Ja, ja...

ZIJ: Je vertelde me alles. Je had niet één enkel geheim. Dat dacht 'k tenminste - tot kort voor je ziekte. - Als je, háár had gezien, kon je van mij geen woord velen - als je met háár had gepraat, was je stil - als zij kwam, dee je vrolijk - als we met z'n drieën waren, dorst je 'r niet aan te kijken... Wil 'k liever?...

HIJ, zacht: Ga door...

ZIJ: Nooit, nooi heb 'k 'r een syllabe over gezegd - omdat zij m'n vriendin was. En jíj zei geen woord. 't Was de eerste keer, dat we over zó iets zwegen - dat ik huilde als jij 't niet zag. Staat op, schuift z'n stoel 'n weinig uit de zonnebranding weg. Zo zit je beter. 't Is daar te warm. Ze zit weer op de taboeret, zwijgt even. Op 'n avond - in augustus - haast twee jaar geleden - zaten jullie hier, in de schemering - weet je nog? - en toen ik binnenkwam - zeer aarzelend - verbeeldde 'k me, verbeeldde ik me...

HIJ: Dat?...

ZIJ: Dat je haar hand los liet...

HIJ: Dat heb je je níét verbeeld. 'k Líét haar hand los. Zij was beter dan ik. Ik had de kleine, kleine schuld. Ik. Zij niet. Als je dat nóú nog kwalijk neemt in m'n toestand van vandaag, moet je dat zelf weten.

ZIJ: Als 'k 't kwalijk genomen had, zou 'k 'r toen over los gekomen zijn. Tóén. Je hoort 't nu voor 't eerst. Zij, m'n intieme vriendin - jij, m'n man - dat kòn niet - dat was onbestaanbaar - daar waren jullie te goed voor. Ik zou me geschaamd hebben iets te zeggen.

HIJ, zacht: Ik flirtte - zij niet.

ZIJ: 'k Ben nog niet uitgepraat. Of?... Hij schudt 't hoofd. Toen 't ongeluk gebeurd was, 't vreselijke, hebben we gedaan wat we konden - zij en ik - zij en ik - zij meer dan ik...

HIJ, gejaagd: Jij.

ZIJ: Niet waar. Nee, niet waar. Ze heeft meegeholpen je te verplegen - ze was haast niet van de vloer - ze bewoog zo bezorgd als ik, huilde - als ik. Wij twee - ja, wij sámen - hadden 'n èchte vriendin aan 'r, 'n troost, 'n steun, om op je knieën voor te danken. En toch, toch... met drift heb 'l ogenblikken van haat gehad, haat als ze snikte, haat als ze bleek door 't huis ging, haat als ze voorlas, haat als ze je hielp - aan je ógen... Houdt verschrikt, de opstuimiging der herinnering onderbrekend, in. Zo slecht was 'k, zo ontoerekenbaar-wreed, zo gemeen - 'k biecht eerlijk. Een stilte. Ben je boos? - Heus niet?...

HIJ, haar hand nemend: 'k Weet niet wat ik daarop, op zo'n uitval, antwoorden moet. Was jij, jij domme gans, nòg jaloers op 'n aan z'n stoel, z'n kamer, z'n handen en voeten geboden, als 'n kind zo onmachtig man? - Zeg je niks? - Foei. Hoe kon je... Jaloers...

ZIJ: Ik was 't - ben 't nòg.

HIJ: Nòg? - Nòg? - Jaloers op 'n blinde en 'n vriendin die in geen zes maanden hier is geweest? Waarom martel je jezelf zo? Waarom doe je 't mij? Weet je geen beter troost dan zulke absurde, absurde gesprekken? Moet 'k in m'n donker, m'n vervloekt donker, zonder houvast aan iets of iemand, nòg op de pijnbank? Laat me dan liever alleen, alleen met m'n gedachten, alleen met m'n rust! Is zenuwbevend opgestaan, kreunt in z'n stoel terug.

ZIJ, de handen wringend: Als 'k zo gesproken heb, is 't omdat 'k zielsveel van je hou. - Heb 'k je een dag, een uur, 'n ogenblik aan jezelf overgelaten? - Heb 'k iets meer van buiten gezien dan jij? - Meer geslapen dan jij? - Meer geleefd dan jij? - Meer vrede gehhad dan jij? - M'n enig doel, m'n enige hoop, was je naar omstandigheden 'n beetje geluk te bezorgen, wat afleiding, wat kleine vreugden. Zij - nee, in geen zès maanden is ze hier geweest, 'k weet 't. Maar wáárom is ze zo ineens zo plotseling, zo onverwacht op reis gegaan? Waarom niet één brief?...

HIJ, dof: Omdat - omdat ìk toch niet meer lézen kan, domme meid...

ZIJ: Had ik ze niet voor kunnen lezen?

HIJ: Natuurlijk...

ZIJ: Waarom schreef ze dan niet?

HIJ: Dat begrijp ik niet...

ZIJ, moeilijk over 'r aarzeling heen: Zie je, lieve, lieve vent, ik zou God zo danken, als je niets voor me verborgen hield, als 'k 't heerlijk, vertrouwelijk gevoel hadd, dat ik alleen voor je bestond, ik alleen in je hoofd leefde, ik alleen - als in de jaren toen je uren geduldig wachtte om me enkel te zien...

HIJ, vriendelijk-hartelijk: Heb 'k niet alle reden van dankbaarheid, kind - àlle, àlle reden voor 'n oppassing waarvoor 'k geen woorden kan vinden?... Als 'k de toppen van je vingers kus, zie ik je blond haar met de scheiding in 't midden, en je bruine ogen, en je neus, en je mond, en je kin, en de kleine moedervlek bij je hals. Ik ben je zo dankbaar voor je toegewijdheid, je geduld, je oneindige takt tegenover mijn buien van prikkelbaarheid, dat 'k 't geen minuut buiten je zou kùnnen stellen - Een stilte. Zijn we uitgepraat?

ZIJ, triestig: Nog niet.

HIJ, verrast: Nog niet?

ZIJ: Iets heb 'k nog verzwegen.

HIJ, hulpeloos-geïrriteerd: Heeft 't niet lang genoeg geduurd? Heb je 'r lust in 't te rekken? Zeg op! Zeg op!

ZIJ: Als 'k je 'r zó mee ontstem - liever niet.

HIJ, : Zeg op - nou wil ìk 't!

ZIJ, aarzelend, dan snel: Ik vind 't zo ellendig, zo... Maar 't móét - 't móét. Vanmorgen heb je 't nog gedaan - gister - eergister - elke dag - soms twee-, driemaal...

HIJ: Wàt?

ZIJ: 'r Portret verlegd...

HIJ: Da's niet waar...

ZIJ: 'k Smeek je, zeg dat niet. Je maakt 'r me zo angstig mee, zo afschuwelijk angstig.

HIJ, zacht: 't Is niet waar.

ZIJ: Die avond, toen hiernaast de haard brandde, toen 'k je de krant had voorgelezen, en voor m'n bureautje toevallig de portretten van vrieenden en kennissen bekeek, nam jij ze een voor een in je handen, vroeg wie 't was... Bij dat van haar, boog je 'n hoekje om. Een stilte. Bij die van je vader en moeder niet - Ook niet bij 't mijne.

HIJ, glimlachend: Dat moet 'k onbewust hebben gedaan - of 'n toeval.

ZIJ, smartelijk: Ik lei háár portret - mèt 't hoekje - onder de andere in de la. De volgende morgen lei 't boven - iedere dag op 'n andere plek - iedere dag verschoven. Nog gister, nog vandaag. - Dat is alles.

HIJ, na een stilte: Misschien bèn k 'r aan geweest. '- Als je dàt zo vreselijk ontrust, neem 't dan weg en verscheur 't. Dan hoef je niet meer te kontroleren.

ZIJ: En dan... Hartstochtelijk: O, ik zou 't kunnen uitschreeuwen! Die kleinigheid heeft mee zo wanhopig gemaakt - vóór ik de moed had 'r over te praten! Als je stil zit, niet praat, niet beweegt - als je glimlacht, nadenkend ben, mijmert - als je iets liefs zegt, iets teers, iets innigs, verbeeld ik me, dat je háár voor je ziet - niet mij...

HIJ, koortsachtig: En als!... En als! Heb 'k niet één vrijheid meer? De vrijheid van herinnering aan dit, aan dat! Je maakt me krankzinnig - je maakt me gek, met dat opdringen van dingen die niet bestaan, die niet bestaan hebben, die niet bestaan zullen! Snuffel de la met portretten na, smijt ze weg, let op elk van m'n gebaren, op elke stilte, op elk zwijgen, maar wroet niet in hersens - die afgebeuld zijn!

ZIJ, hartstochtelijk: Als 'k de macht had te wéten wat 'r in je omgaat!

HIJ: Heb je die vroeger gehad, toen ik zàg?

ZIJ: Nee.

HIJ: Waarom kwel je je dan nu - nu ik hulpeloos ben?

ZIJ: Omdat ik zo vurig hoopte, dat je dóór je hulpeloosheid alleen voor míj zou zijn.

HIJ, mat: Dat ben 'k.

ZIJ, smekend: Zeg me dan - ik hou zoveel van je - zeg me dan, dat je enkel mij voor je ziet, als je 'n uur van tevredenheid heb. - Dan zou je me zo gelukkig maken.

HIJ: Enkel jou.

ZIJ: Altijd?

HIJ: Altijd. - Leunt achterover. En laat me nu alleen. Ik ben moe.

ZIJ, hem kussend: Niet boos? Nee? - Ik heb toch alleen jóú. Verlaat aarzelend de serre.

HIJ, zit met gesloten ogen, staat tastend op, gaat op de la van het bureautje toe, bevoelt de hoeken der portretten, neemt er een, drukt er de lippen op, verscheurt het: Ik weet 't tòch, tòch.

ZIJ, weer binnentredend, verrast: Ik dacht, dat je...

HIJ, glimlachend: Hier zijn de snippers. Ben ik nú niet van jou? Angstig-starend neemt zij ze aan. Hij, blijft in z'n stoel glimlachen.

 

Naar boven
Terug naar de hoofdpagina

Menu van pagina's in tekstversie

De website
Hoofdpagina
Doelstelling
Over de editie
Opzet van de website
Aangepast lezen
Biografische notitie
Over ons en contact
Teksten online
Verkrijgbare teksten
De 7 vette dagen
Het testament
Het antwoord
Kwelling
Brief in schemer
Herenhuis te koop
De buikspreker
Het zevende gebod
Het pantser
Overige pagina's
Welkom in Villa Evenrust
Varia: socialistische tendenz
Kolder in de Jonge Jan
Scheveningse vissers
© deze website: 2015 M.G. Vonder, Amsterdam

colofon

Deze website is gestart op 3 december 2014, bij gelegenheid van de 150ste geboorte­dag van Herman Heijermans Jr.
Deze website is met de grootst mogelijke zorgvuldigheid samengesteld. Voor eventuele schade, ontstaan door fouten in de inhoud, aanvaarden wij echter geen aansprakelijkheid. Mocht ondanks onze inspanningen een auteursrechthebbende aan de aandacht zijn ontsnapt, dan verzoeken we deze vriendelijk zich in verbinding te stellen met de redactie.
email: M.G. Vonder
post: W. Passtoorsstraat 12-1
1073 HX Amsterdam