HERMAN HEIJERMANS
toneelschrijver in zijn en onze tijd

Al wat gij nù doet, ontsiert zelfs de vulnisbelt. Een reconstructie.

Tekstversie
Naar het menu | Terug naar de hoofdpagina

Kolder in de Jonge Jan

Hoe het idee voor "In de Jonge Jan" precies is ontstaan, is onduidelijk. In Toneelwerken I, 1965, wordt vermeld dat het op verzoek van de acteur Henri de Vries gebeurd is (zie Aant. XXXVII). Hunningher schrijft eenvoudig dat Henri de Vries "bij de opvoering van Het Zevende Gebod zijn virtuoze geschiktheid voor dubbelrollen had bewezen" (p. 182). Maar de eigenlijke 'maker' van het stuk was hij toch niet, en met een beroep op de toonaangevende toneelkritikus Berckenhoff: "Den knapsten kok is het niet gegeven hazenpeper te maken zonder haas". Flaxman baseert zich op een gerucht, waarvan de eigenlijke bron Adriaan van der Horst blijkt te zijn. Deze oude rot in het vak, een van de oprichters van de Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel, waar Heijermans vanaf Ghetto zijn stukken opgevoerd zou zien, schreef in een van zijn retrospectieve artikelen in Het Volk, 23 december 1935 (avondeditie), dat inderdaad zijn gave voor dubbelrollen Heijermans geïnspireerd had. Dit was gebleken toen vlak voor de première van Het Zevende Gebod, De Vries de rol van de ziek geworden Henri van Kuyk moest overnemen (Heijermans voegde voor het changement een korte scène in). Al met al lijkt sprake van "kairos": een gezamenlijke oplossing te gelukkiger tijd.
Van zeker evenveel belang moet echter de geboorte van zijn dochtertje Hermine zijn geweest, in 1902. Het daaropvolgende jaar schreef hij drie korte stukken waarin een jong kind centraal stond: Het Kind, Het Kamerschut en "In de Jonge Jan" dat in Duitsland zou worden opgevoerd als Der Brandstifter en in het Engels als A Case of Arson. In het eerste stuk legt de geboorte van een stekeblind kind een enorme psychische druk op beide ouders, waaronder zij dreigen te bezwijken; het is zowel qua bouw als psychologie een gave en indringende eenakter. In Het Kamerschut bepaalt de pasgeboren baby de handeling op hilarische wijze, zonder dat het wicht ooit van achter het duister van het kamerscherm in het licht komt. En in het derde deel van het drieluik, gezamenlijk nog in 1903 gepubliceerd als Kinderen. Drie tooneel-studies (S.L. van Looy Amsterdam, heruitgegeven in 2014 bij De Nieuwe Toneelbibliotheek), wordt een driejarige peuter slachtoffer van de misdadige actie van een van haar naaste familieleden... maar wie?
In het als klassieke whodunnit geconstrueerde "monologen-spel in een bedrijf" worden in negen tonelen de broers Arend opgevoerd, met als getuigen van de fatale brand enige dorpsbewoners, een voor een voorgeleid voor de officier van justitie. Jan Arend is eigenaar van een klein sigarenfabriekje-aan-huis, zijn achterlijke broer Ansing werkt voor hem, eet bij hem, maar woont niet bij hem in zoals rond 1900 te verwachten viel. De schoonvader, de herbergier, een brigadier, de kruidenier en een verver zijn "bedoeld als gegeven voor een k a r a k t e r-speler, die àlle rollen behalve die van den officier van justitie, den bode, den schrijver speelt".
Henri de Vries nu, al van de partij bij de opvoering van Heijermans' eerste avondvullende drama Dora Kremer in 1893 (nog in Rotterdam, hoewel Heijermans zich al in Amsterdam had gevestigd) kweet zich met zoveel verve, en met succes, van zijn taak, dat zes maanden na de première op 4 november 1903 de 100ste voorstelling was bereikt, en De Vries er de hoofdrol van Pancras Duif in Schakels voor liet schieten. En daar bleef het niet bij. De Vries bouwde de voorstelling om tot een eigen productie, waarmee hij al in 1904 naar het buitenland vertrok, en daarmee begon een stuk-om-het-stuk, dat "Kolder in de Jonge Jan" genoemd kan worden.

Een contract, een correspondentie en een breuk

Voorzienigheid of niet, Heijermans bleek zijn pappenheimers te kennen, en niet alleen van een rit door hartje Rotterdam. In het Heijermans-archief van het TIN (theatercollectie Bijzondere Collecties UvA/Tin) komt een correspondentie voor tussen Herman en zijn kompaan Henri, waarin zich ook een handgeschreven contract bevindt aangaande de opvoeringsrechten van "In de Jonge Jan". Vanwege het minuscule handschrift was dit niet reproduceerbaar, maar in afschrift luidt de tekst onder meer als volgt:
  "1. Eerstondergeteekende [=Heijermans] verleent tweede-ondergeteekende de uitsluitende opvoeringsrechten van zijn drama In de Jonge Jan binnen de grenzen van Holland, gedurende twee jaar, ingaande 1 September 1903.
  Tweede ondergeteekende neemt aan de première van dit drama vóór 1 Januari 1904 te Amsterdam te geven, force majeure voorbehouden. Elke overdracht aan wien ook heeft de schriftelijke goedkeuring van eerstondergeteekende noodig. Tweede-ondergeteekende speelt in dit drama alle rollen, behalve die van den 'officier van justitie', den 'bode', den 'schrijver'."
  "2. Het recht van uitgave in elken vorm, zoomede het recht om ten allen tijde, hetzij vroeger of later dan 1 September 1903, het stuk buiten Holland te doen opvoeren, verblijft uitsluitend eerst-ondergeteekende, die zich verbindt het auteursrecht in Holland eventueel in rechten te handhaven".

Reeds bij deze twee artikelen van het contract is een toelichting noodzakelijk. Nederland was geen lid van de zgn. Berner Conventie die auteursrechten buiten de landsgrenzen regelde, en zou pas met de Auteurswet van 1912 enige wettelijke bescherming bieden voor het gebruik (lees: de vrije plundering) van teksten van de eigen literatoren, met de klassiek-liberale verdediging dat dan ook geschriften van buitenlandse auteurs in Nederland "vrij" waren. Heijermans nu was hiervan uitstekend op de hoogte, want hij was al tien jaar lang de dupe. Zijn eenakter Ahasverus had dadelijk na de première in 1893 de aandacht getrokken van de Franse regisseur en producent André Antoine met zijn hypermoderne, roemruchte gezelschap Théâtre Libre (later omgevormd tot Théâtre Antoine en nog tot 1907 toonaangevend). Ghetto werd, mede door enkele schandalen waar het stuk onbedoeld op kon inhaken, direct na de Kerstpremière in 1898 een sensatie tot ver buiten de landsgrenzen, met voorstellingen in Londen en Berlijn, en hetzelfde gold voor Het Zevende Gebod (1899) en natuurlijk Op Hoop van Zegen in 1900. Heijermans kon zich ten tijde van het contract met De Vries al beroemen op tal van al dan niet legitieme roofdrukken en piraten-voorstellingen van zijn werk.

Welnu, op 21 juli van het jaar 1904, een maand of negen na het ingaan van bovengegeven contract, zag Heijermans zich genoodzaakt het volgende te schrijven aan Den Heer Henri de Vries, te Scheveningen Kurhaus, Aangeteekend:


Heijermans aan Henri de Vries. Deze en volgende citaten: correspondentie tussen Henri de Vries en Herman Heijermans.
Archief Heijermans, theatercollectie Bijzondere Collectie UvA/Tin.   "Amice,
  Daar het mij blijkt dat gij
  buiten mijn persoonlijke weeten
  om, blijft pogen om "De Jonge
  Jan" in Engeland op te voeren,
  heb ik ditmaal schriftelijk de
  eer U mede te deelen, dat ik
  U onder geen omstandigheid
  machtiging geef in het buiten-
  land op te treden. Mocht U
  met voorbijgaan van ons contract
  toch daartoe overgaan, dan
  heeft u alle gevolgen in rechten
  te dragen. Daarmee heb ik mijn
  laatste waarschu[wend] woord"
  [rest ontbreekt]

 

Dit schrijven bevindt zich, gemarkeerd met een grote blauwe J (maar die volgorde blijkt niet chronologisch) in het al genoemde archief. Gemarkeerd met C en aan de achterzijde met E, vinden we een epistel van Henri de Vries aan HH, op voorbedrukt hotelpapier, nu van het Garrick Residential Hotel, 3 & 5 Charing Cross Road, W.C., Londen. (N.B. dat acteurs resideerden in hotels was verre van ongebruikelijk, ook Heijermans woonde jaren in hotels, zowel binnen Nederland als daarbuiten). In transcriptie luidt de inhoud als volgt:

      Oct. 14 - 04

"Amice,
Van Jaap zal je gehoord hebben dat 't mij hier niet voor de wind gaat.
De theatres willen niet en voor de music hall bleek het te dramatisch.
Het garrick wil me hebben maar zonder gage en the Avenue theatre wil
een beetje betalen; circa £20. Toch geef ik het niet op/ en ik heb nu
gearrangeerd in Alhambra een pract [?practice-]voorstelling te geven
Ik houd echter mijn

[kant 2]

hart vast dat ze 't weer te zwaar en te dramatisch
zullen vinden. Ik heb al zooveel mogelijk gekapt
omdat 't absoluut te lang speelde. Nu is mijn vraag deze.
Heb jij een idee voor een ander slot d.w.z. een vroolijk slot?
b.v. de kruidenier komt terug of Biesen komt eerst
op 't slot en zegt dat Jan Arend achter slot zit of
zoo iets. Het publiek hier en vooral in de Hall's is
onzegbaar stom en grof. Voor stemming op 't tooneel
voelen zij niks, lachen en nog eens lachen willen
zij. Weet je ook iets te bedenken, iets komieks, al is
het charge, voor een van de figuren? Daarvan alleen
hangt 't af of 't Alhambra

[vel 2 kant 1]

mij neemt of niet. Van dat alles, meen ik.
Nemen ze mij, dan is de zaak gezond want die
betalen nog meer dan de Palace theatre. De zaal
is zoo veel grooter. Op 't slot breng ik wat
drama muziek in.
Het is verdomd jammer voor je mooie werk, maar
men wil 't nu eenmaal. Ik kan de kranten laten
zeggen dat het stuk voor England is veranderd.
Geef me echter direct antwoord, want woensdag heb
ik mijn trial-show in the Alhambra. Eerst heden is
dit besloten en ik schrijf je

[kant 2, gemarkeerd E]

deze in haast dat de brief nog van avond weg komt.
In afwachten van je spoedig antwoord
      Saluut,       Henri."

Vetgedrukt: "Bedenk dat ik, bij eventueele
verandering daaraan moet
repeteeren met mijn menschen
en ook voor mij zelf is dat
noodig.
"

Op dit P.S. kom ik later terug.
De niets te raden overlatende reactie van H. is gedateerd 17-10-04:


Amice
Mijn natuurlijke ingeving was uw beide
zotte briefjes van 14 en 16 dezer onbeantwoord te
laten - ik meen u evenwel een dienst te bewijzen
door U als mijn meening te zeggen, dat het hoog
tijd wordt uw clowns-kunstjes in Engeland te
staken en weer te trachten een degelijk hollandsch
artist te worden. Al wat gij nù doet, ontsiert
zelfs de vulnisbelt. Een harde appreciatie
maar een ware. Vale
H.

 

Het volgende tooneel in deze slapstick wordt geschreven door Henri de Vries en dateert van 12 september 1905 (ik zei al, dat het een correspondentie is met hiaten). Schrijver dezes heeft nu domicilie gekozen in het Victoria Hotel te Wolverhampton, het stuk is gemarkeerd M en de tekst is wonderlijk genoeg in het Engels. Wonderlijker nog is de inhoud. De brief begint als volgt:

"Dear Sir
No doubt you are aware by this time
that I am not playing in the piece under the
name of "A Case of Arson" but I have registered
a translation of my own under the title of
"The Factory Fire" and I am now playing in

[kant 2]

the piece under that title.
Mr. Mayer at the International Copyright
Bureau Ltd informed my solicitors that the
contract between us was at an end as I had
not produced the piece by January 1st and
if I required to produce it I must make
such terms with them as they were willing
to make. "

Even een paar editoriale opmerkingen. In de Jonge Jan is vertaald in het Engels door Howard Peacey (Flaxman p. 164 en nt. p. 249) en de titel luidde: A Case of Arson. Het was wel degelijk Henri de Vries die het stuk speelde onder die titel, en niet alleen in Londen en Wolverhampton, maar in 1906 ook in de Verenigde Staten, in verschillende theaters in New York, en later in Duitsland, met name in Berlijn, waar hij met het stuk furore maakte onder de titel Der Brandstifter (vertaald door R. Ruben). Wat zijn bedoeling met deze verdraaiing geweest is blijft een raadsel, maar hij claimde, nog steeds in het Engels, zich moreel gedrongen te voelen om zijn oude kompaan Heijermans Royalty te betalen, hoewel hij daar geenszins toe verplicht was en daarvoor dan ook geen aansprakelijkheid accepteerde. Ingesloten, om aan zijn gewetensnood te voldoen, was...
een briefje van twee pond. Omgerekend, zoals Heijermans opmerkte, nog geen gulden per voorstelling.
Maar Heijermans verbeet zijn woede, en deed in plaats daarvan een beroep op De Vries, om zijn "clownskunstje" in een hoek te trappen en terug te keren in de moederschoot van de Tooneelvereeniging.

De poppen aan het dansen

We slaan nu een stukje over, en vinden in het TIN-archief onder invoegnr. 2 nog enige vermeldenswaardige documenten. Deze twee brieven zijn afkomstig van het International Copyright Bureau te Londen, hetzelfde auteursrechtenbureau dat De Vries al noemde, en het tweede citeer ik weer hier.

"Geachte Heer,
Met verwijzing naar onze eerste brief van vandaag, hebben wij sindsdien vastgesteld, dat de heer De Vries in New York gespeeld heeft:
4 weken in het Madison Square Theatre voor £50 per week;
9 weken in het Vaudeville voor £300 per week;
1 week in het Vaudeville voor £250.
Daarenboven had hij een contract getekend om nog eens 8 weken op te treden tegen een beloning van $1200 per week, waarover wij eveneens de 8% kunnen opeisen. We kunnen geschreven en gewaarborgd bewijs produceren dat dit de correcte cijfers zijn. De heer De Vries probeerde bovendien de heer Levitt, zijn Manager, ervan te overtuigen, om te zeggen, indien wij zouden informeren naar zijn salaris, dat hij slechts £50 had ontvangen, in plaats van £300. De heer Levitt is speciaal overgekomen uit Amerika om de heer De Vries aan te klagen wegens contractbreuk, daar De Vries uit Amerika gevlucht is onder een andere naam, om het vervullen van zijn 8-weekse contract te ontlopen."[...]
Let ook op het met potlood geschreven optelsommetje van 3150 pond, rechts in de kantlijn.

 

Dat Henri de Vries niets anders is dan een gladjanus, een linkmiechel en een kleine oplichter, lijdt na al dit geschreven bewijs weinig twijfel meer. Na zijn avontuur in de Verenigde Staten vervolgde hij zijn zegetocht door Europa, bracht in 1913 een bliksembezoek aan Nederland om In de Jonge Jan te verfilmen, ontving her en der de toen gebruikelijke lauwerkransen bij jubileumvoorstellingen en... keerde uiteindelijk, in 1922 terug bij het gezelschap waar Heijermans toen directeur van was, de N.V. Tooneelvereeniging.
Zijn rondreis laat evenwel een groot aantal vragen open. En de voornaamste is: Hoe deed hij het allemaal?
Daarvoor slaan wij nogmaals de tekst van "In de Jonge Jan" op, waar bij de Dramatis Personae de opmerking staat over de karakterspeler, die àlle rollen speelt behalve die van de officier van justitie en twee zwijgende rollen. Welnu, de officier is géén zwijgende rol, verre van dat en integendeel. Hij ondervraagt immers alle getuigen inclusief de aanvankelijke verdachte, en doet dat buitengewoon welsprekend en met gevoel voor wie hij voor zich heeft. Zijn toon tegen Ansing is heel anders dan tegen Gijs Blankert of brigadier Biesen, en hij maakt zelfs een ontwikkeling door wanneer blijkt dat Ansing onschuldig is en hij hem wel zeer onheus heeft bejegend, om niet te zeggen heeft veroordeeld voordat zijn schuld was bewezen. Kortom: de officier is een grote rol en het is uitgesloten dat De Vries van het stuk een soort eenmanszaakje heeft kunnen maken, zoals dat in de literatuur doorschemert. Maar hoe deed hij het dan wel?

Eén mogelijkheid is, dat hij voor zijn optredens gebruik maakte van een fonograaf of grammofoon. Beide bestonden in 1903 al, hoewel een opname zeer bewerkelijk en kostbaar moet zijn geweest, en het vervoer op toernee een heel gesjouw. Maar er zijn andere bezwaren tegen deze oplossing. Wie zou de rol van de officier hebben moeten inspreken? Henri de Vries zelf? Er is geen enkele bron die daar melding van maakt. Bovendien is het moeilijk voor te stellen dat hij geen lijfelijke, levende tegenspeler gehad zou hebben. In de Aantekeningen bij de Toneelwerken wordt echter weliswaar een acteur genoemd, maar dat is duidelijk een pseudoniem: Kluizenaar. Wie vond het nodig om zich voor zo'n zware rol achter een pseudoniem te verschuilen, terwijl de bode gewoon bij zijn eigen naam wordt genoemd en Jacques Sluyter jr. heet?
Een volgende vraag doemt op als we De Vries volgen in zijn buitenlandse strapatsen. Hierboven heb ik een stukje uit zijn brief vetgedrukt. Hij heeft het daar over zijn menschen, met wie hij repeteren moet. Het is de enige aanwijzing, dat hij niet alleen was. Dat wijst erop, dat hij althans in het buitenland, acteurs inhuurde. Acteurs bij de dag, die niet met De Vries meereisden, maar per voorstelling of althans per serie werden betaald. Hoe hij aan zulke spelers kwam wordt nergens verteld, maar toneelspeler was in die tijd een vrij beroep en het toneel was niet gesubsidieerd. Mogelijk waren er rond de theaters altijd wel acteurs te vinden, die een baantje zochten.
Tasten we tot hier toe al grotendeels in het duister (recensies uit die dagen heb ik nog niet kunnen onderzoeken), groter wordt het raadsel nog in Amerika. Het valt hem daar kennelijk al een stuk makkelijker om zijn "act" te promoten, want na de vier weken Madison Square tegen een beperkte vergoeding, komt een reeks van tien weken voor een honorarium dat in die tijd tamelijk riant geweest moet zijn, tenminste als hij het in eigen zak kon steken. Tussen haakjes: dat dit in een vaudeville theater gebeurde is niet zo vreemd als het lijkt: de voorstelling is te kort voor een serieuze theateravond en moet het vooral hebben van suspense, niet van diepgravend drama, ook al was het voor Engelse begrippen allicht te dramatisch.

Maar kòn De Vries, vrij als hij zich voelde om het stuk te spelen zonder royalties af te dragen, kon De Vries de honoraria in eigen zak steken? Hij had toch "zijn menschen", die hij betalen moest? Ja, dat kon hij. Maar dan moeten we nog iets bedenken: het theater in die dagen draaide volledig om de recette. En tien weken in een stampvolle zaal moet aardig wat aan recette hebben opgeleverd. Genoeg om ook in New York "zijn menschen" van te kunnen betalen - een tegenspeler, twee figuranten, een technicus wellicht. Maar waarom, als hij behalve de honoraria volgens contract, ook nog de recettes per voorstelling of in elk geval een deel daarvan, kon opstrijken, waarom nam hij dan de benen en vluchtte hij onder valse naam zonder zijn contract uit te dienen?
Het is een hypothese, maar wel een die gezien de briefwisseling met Heijermans voor de hand ligt: De Vries betaalde "zijn menschen" niet. Na tien weken vaudeville hadden zij vermoedelijk nog geen cent gezien. Het werd De Vries eenvoudigweg te heet onder de voeten, en dus trok hij weer naar de Oude Wereld, om onder een andere naam, in een ander jasje, zijn zegereeks voort te zetten, waarvan elk spoor tenslotte is uitgewist.

15 december 2014,
Maarten Vonder.

 

Menu van pagina's in tekstversie

De website
Hoofdpagina
Doelstelling
Over de editie
Opzet van de website
Aangepast lezen
Biografische notitie
Over ons en contact
Teksten online
Verkrijgbare teksten
De 7 vette dagen
Herenhuis te koop
De buikspreker
Brief in schemer
Het testament
Kwelling
Het antwoord
Het pantser deel een
Het pantser deel twee
Het pantser deel drie
Overige pagina's
Welkom in Villa Evenrust
Varia: socialistische tendenz
Kolder in de Jonge Jan
Scheveningse vissers
© deze website: 2015 M.G. Vonder, Amsterdam

colofon

Deze website is gestart op 3 december 2014, bij gelegenheid van de 150ste geboorte­dag van Herman Heijermans Jr.
Deze website is met de grootst mogelijke zorgvuldigheid samengesteld. Voor eventuele schade, ontstaan door fouten in de inhoud, aanvaarden wij echter geen aansprakelijkheid. Mocht ondanks onze inspanningen een auteursrechthebbende aan de aandacht zijn ontsnapt, dan verzoeken we deze vriendelijk zich in verbinding te stellen met de redactie.
email: M.G. Vonder
post: W. Passtoorsstraat 12-1
1073 HX Amsterdam